Opzet van de trainingen

De trainingen Aan Eer Gerelateerd Geweld en Complexe familieverhoudingen zijn opgezet rondom twee thema’s: eer en familie.

Eer

Wat eer betreft zijn onze trainingen zijn gebaseerd op inzichten uit wetenschappelijk onderzoek omtrent stigma en uitsluiting. Mensen bezitten eer, zolang ze daadwerkelijk geaccepteerd zijn in hun gemeenschap, ze hebben een reputatie van moraliteit. Dat betekent dat anderen veronderstellen dat zij moreel deugen.

Individuen en families (en ook andere coherente groepen) kunnen gestigmatiseerd, uitgesloten en mishandeld worden, in het bijzonder wegens ernstig wangedrag. Een familie kan wegens het wangedrag van één enkel individu worden gestigmatiseerd en sociaal worden uitgesloten. Dit wordt een associatief stigma genoemd. Stigmatisering en de gevolgen daarvan zijn een universeel menselijk fenomeen.

Het risico op uitsluiting en stigmatisering in verband met wangedrag levert binnen de familie spanningen op die tot geweldsescalaties binnen en buiten de familie kunnen leiden. Dit is wat er in de volksmond met aan eer gerelateerd geweld wordt bedoeld.

Nadat ernstig wangedrag bekend is geworden in de gemeenschap en de stigmatisering, uitsluiting en sociale sancties een feit zijn, willen de betrokkenen eerherstel. Eerherstel betekent dat de sociale omgeving stopt met het stigmatiseren, uitsluiten en dat men de geweldsacties jegens familieleden staakt. Ook hierbij kán geweld een rol spelen.

De theorie rondom stigma en de angst daarvoor vormen een aantrekkelijke en neutrale basis voor een verklaring van en een visie op aan eer gerelateerd geweld. Een en ander sluit aan bij wat betrokkenen, daders en slachtoffers er zelf over zeggen. Bovendien, het is vanzelfsprekend dat processen zoals stigmatisering en uitsluiting spelen bij mensen uit het Midden-Oosten.

Complexe familieverhoudingen

De duiding van de relaties binnen immigrantenfamilies is voor buitenstaanders vaak erg moeilijk. Eventuele misstanden en geweld, laat staan aan eer gerelateerd geweld, komen niet automatisch voort uit die familieverhoudingen, maar familieverhoudingen spelen, zoals altijd, wel een rol bij een escalatie of deëscalatie.

Veel mensen werken met de begrippen wij-cultuur (ook wel collectivistische cultuur of groepscultuur genoemd) versus ik-cultuur (ook wel individualistische cultuur). Dit zijn misleidende begrippen. Geen enkel individu is individualistisch, alle mensen kunnen alleen bestaan als lid van een groep andere mensen (hierover is een zeer omvangrijke wetenschappelijke literatuur. Interessant vind ik: M. van Zomeren (2016). From self to social relationships. An essentially relational perspective on social motivation. Cambridge Univ. Press).

Maar ook het begrip wij-cultuur of collectivistische cultuur is problematisch. De vraag is: wie is die ‘wij’ of dat ‘collectief’? Veel mensen denken dat mensen uit zo’n wij-cultuur zich automatisch op een of andere wijze verbonden voelen met willekeurige mensen met dezelfde achtergrond. Of dat de collectieven uit zo’n wij-cultuur automatisch hiërarchisch en onderdrukkend zijn. Anderen denken dat mensen uit een ik-cultuur hard-core individualisten zijn en het liefst helemaal alleen zijn. Dat is natuurlijk onzin. Daarom gebruik ik termen als ik-cultuur, wij-cultuur en collectivistische cultuur liever niet. Maar wat werkt wel?

Gezinscultuur en familiecultuur

Voor elk menselijk individuen geldt dat vanaf de geboorte de belangrijkste groep die van de bloedverwanten is. Er zijn echter wel verschillen tussen de regio’s in de wereld.

Rond ongeveer 2010 heb ik het concept familiecultuur afgezet tegen gezinscultuur.

Gezinscultuur

Het gezin is een groep van mensen, meestal een koppel, een echtpaar, maar ook vader, moeder en kinderen, die elkaar respectvol benaderen, bescherming, voedsel en onderdak bieden. Dit gebeurt op basis van wederkerigheid: de leden verwachten deze bescherming, voedsel van elkaar. Bescherming en een respectvolle en liefdevolle omgang is overigens ook onderdeel van de huwelijksgelofte. (In het Engels is er slechts een wat kunstmatige term voor gezin: nuclear family.) In Noord-West Europa en in de door Europeanen gekolonialiseerde gebieden in Noord-Amerika, Australië en Nieuw Zeeland leven de mensen in een gezinscultuur.

Het westerse ideaal is (dus niet een individu of een ‘ik’ die uitsluitend zijn of haar eigen belang voor ogen heeft, maar) een harmonieus gezin, waarin de leden loyaal aan elkaar zijn en bereid zijn zich voor elkaar op te offeren.

Wanneer er kinderen zijn, geven de ouders geven leiding aan het gezin en van kinderen kan worden verwacht dat ze meedoen aan wat hun ouders in het belang van het gezin achten. (Vroeger werd van de kinderen ook een grote bijdrage verwacht aan het huishouden of het gezinsinkomen en de verzorging van elkaar.)

Dit is natuurlijk een ideaal, want niet alle gezinnen functioneren op deze wijze. De westerse gezinstherapie is zodoende niet gebaseerd op het individu (‘doe maar wat jóu leuk lijkt’, ‘jij hoeft helemaal niet naar je moeder te luisteren, wat denkt dat mens wel’), wat veel mensen lijken te denken, maar op de versterking van samenhang tussen de individuen in een gezin, het streven naar het ideaal van het harmonieuze gezin.

Daarom wordt kinderen al jong aangeleerd de regels te volgen en goed naar hun ouders te luisteren. (Nederlandse ouders hoor je vaak op straat of in een winkel hun kinderen luid toespreken: ‘Kareltje, wat hadden we afgesproken?’). De ‘afspraken’ zijn in werkelijkheid opgelegde regels. Door de duidelijke structuur en verhoudingen kunnen de individuen in het gezin floreren en functioneren ze later bijvoorbeeld ook prettig in een team op school, het werk of in een vereniging of club.

Familiecultuur

In de rest van de wereld, ongeveer 80% van de wereldbevolking, leeft men in een familiecultuur. In het algemeen bestaat zo’n familie uit de grootouders en hun nakomelingen, vandaar de term grootfamilie. In zo’n grootfamiliecultuur zijn niet alleen gezinsleden, maar in het ideale geval ook andere verwanten over en weer loyaal aan elkaar. Ze bieden elkaar een respectvolle en liefdevolle omgang en bescherming, voedsel en onderdak.

In zo’n familiecultuur is er idealiter niet alleen loyaliteit en opofferingsgezindheid tussen ouders en kinderen en de kinderen onderling, maar ook tussen ooms en tantes enerzijds en neefjes en nichtjes anderzijds, en tussen neven en nichten voor elkaar en de grootouders. Dit is uiteraard een ideaal, want in de praktijk kunnen niet alle grootfamilies op deze wijze functioneren. (Over de mechanismen in zo’n grootfamilie of, in het Engels, extended family, is onder de noemer familism veel geschreven.)

De mensen in familiecultuur hebben uiteraard relaties en vriendschappen met mensen buiten hun grootfamilie, maar de tendens is dat hun eerste loyaliteit bij de gezinsleden en vervolgens ook bij leden van de grootfamilie ligt. (Soms daarnaast nog bij grotere verbanden als clans en stammen.)

Onder Europeanen zijn er veel misverstanden over familieculturen. Belangrijk is dat een goede grootfamilie kan functioneren als een warm bad, waarin de afzonderlijke leden goed en veilig kunnen functioneren en zich kunnen ontwikkelen. Anderzijds kan een disfunctionele familie met leden die te veel claims leggen een last vormen voor individuele leden.

In Europa kunnen de juiste therapieën voor migranten de krachten van hun grootfamilie aanboren en met het ideaal voor ogen relaties herstellen. Deze kansen worden te vaak niet gezien. Anderzijds worden problematische relaties met leden van de grootfamilie te vaak onderschat of verkeerd geduid. Ook dat is jammer.

Gevolgen van wangedrag

Individuen die de harmonie binnen een Europees gezin verstoren (zoals drugsgebruik, mishandeling, ontucht, conflictueus gedrag, niet luisteren naar de ouders, etc.) kunnen − met hulp van de instanties − worden uitgeplaatst (of verstoten), zodat de rust kan wederkeren.

Individuen die moreel wangedrag plegen kunnen voor het gezin een ernstig stigma veroorzaken. De overige, onschuldige gezinsleden kunnen op dat gedrag worden aangesproken en ook verantwoordelijk worden gehouden. Het is niet voor niets dat de Amsterdamse burgemeester Halsema is bevraagd over het gedrag van haar minderjarige zoon en, misschien wel erger, de verklaringen van haar eigenwijze, zelfstandige echtgenoot over het wapen dat hij in de ambtswoning had neergelegd. De uitingen van die echtgenoot kunnen zelfs bestuurlijke consequenties krijgen.

Dit wordt, zoals hierboven al gezegd, een associatief stigma genoemd en (voormalige) gezinsleden kunnen na ernstig wangedrag te maken krijgen met vormen van zeer ingrijpende sociale uitsluiting (zie ook Rachel Condry (2007). Families Shamed: The Consequences of Crime for Relatives of Serious Offenders. Willan, Cullompton). Zo’n stigma kan zich ook voordoen wanneer de zich misdragende persoon al jaren uit huis is (denk bijv. aan de probleem van Jens Breivik, de vader van de Noorse terrorist Anders Breivik).

Het komt naar verhouding minder voor in Noord-Europese samenlevingen dat ooms en tantes en andere familieleden te maken krijgen met sociale uitsluiting. Maar een voorbeeld zijn de interviews met de oom en oma van de Nieuw-Zeelandse terrorist Brent Tarrant. Die spraken namens de familie hun excuses uit en betuigden hun medeleven aan de slachtoffers.

Ook individuen in een familiecultuur die moedwillig de harmonie binnen een familie moedwillig verstoren, kunnen door hun overige familieleden worden verstoten. Een grootfamilie heeft door het grotere aantal gezinnen en individuen vaak meer tijd om te proberen het problematische gedrag van een enkel individu te corrigeren.

Wanneer een individu uit een familiecultuur zich moreel misdraagt is de kans groot dat niet alleen zijn of haar gezinsleden, maar ook individuen uit hun grootfamilie een associatief stigma verwerven en door mensen uit de gemeenschap op het immorele gedrag van dat individu worden aangesproken. Zo kregen de familieleden van verdachten van de terroristische aanslagen in Frankrijk te maken met sociale uitsluiting in hun gemeenschappen. Zo’n situatie kan dan zorgen voor conflicten en ruzies tussen de familieleden onderling.

De processen in gezinnen en grootfamilies, beide immers hechte groepen, zijn sterk vergelijkbaar (al is er meer onderzoek nodig). In beide is het voor elk individu van groot belang om enerzijds de gezins- of familie-interne regels te volgen zodat de groep intact blijft en één harmonieus geheel.

Voor beide dient elk lid zich (al is het ogenschijnlijk) te houden aan de morele normen van de gemeenschap, zodat het individu noch zijn of haar eigen morele reputatie, noch die van het gezin of de familie beschadigt. Het is in beide erg belangrijk om zich te houden interne en externe morele regels.